De vervloeking (1998)


Lang geleden leefde er eens een koning. Hij woonde in een schitterend paleis met daaromheen een reusachtige tuin.
 In een hoek van de tuin stond een hoge schutting van eikenhout. In de schutting zat een smalle poort waardoor je naar binnen kon. Erachter stond een huisje, waar een oud vrouwtje woonde.
   Maar het was niet zomaar een vrouwtje: het was een heks. De vader van de vader van de koning had eens een bos gekregen van de koning van het buurland, en in dat bos had een holle boom gestaan waar de heks in had gewoond. En omdat je een gegeven paard niet in de bek mag kijken, nam de koning haar op de koop toe. De heks was verhuisd en sindsdien woonde ze in de hoek van de tuin, achter de schutting.
   Elke zondag bracht de heks een bezoek aan het paleis en tegen middernacht vloog ze dan weer terug naar haar huisje. Omdat de koning en de koningin zo goed voor haar waren en ze niets te klagen had, had ze nog nooit iets echt gemeens, iets echt hekserigs gedaan. Nog nooit was er een bediende in een zwarte kat veranderd, in het bed van de koning en de koningin waren nog nooit giftige padden gevonden en zelfs het koninkrijk was nog nooit vervloekt.

De klok had net twaalf uur geslagen en omdat het zondagavond was vloog de heks over de tuin naar haar huisje achter de schutting. Het was voor de zoveelste keer gezellig geweest in het paleis en voor de zoveelste keer had ze lekker gegeten, maar vanavond had ze, o gruwel, ze had zelfs bedankt voor alles. De heks rilde bij de gedachte. "Foei!" zei ze tegen zichzelf. Want als heks begreep ze dat het zo niet langer door kon gaan.

De volgende zondag kwam ze niet naar het paleis. De koning en de koningin waren ongerust. "Als ze er volgende week maar is," zuchtte de koningin, "want dan is de koning jarig."
   In het huisje achter de schutting zat de heks zich suf te denken wat ze nou moest beginnen. Dat het zo niet kon blijven was duidelijk. Ze was tenslotte een heks. Maar ze was zo lang niet slecht geweest dat ze beschaamd toe moest geven dat ze het eigenlijk een beetje verleerd was. Avonden achtereen dacht ze na, zat te lezen in haar toverboek, oefende spreuken en vloog zomaar wat rond op haar bezem.
   De dag voor de verjaardag van de koning wist ze nog steeds niks. Ze besloot de volgende dag gewoon naar het paleis te gaan. "Misschien kom ik ter plekke wel op een goed idee." dacht ze bij zichzelf.

De volgende dag was de koning jarig. Maar het was geen gezellige verjaardag en in het hele paleis heerste een rouwstemming. De koningin was 's nachts zomaar overleden. Ze was niet ziek geweest, niet vermoord, niets van dat alles.
   "Meneer de koning," had de dokter gezegd, "uw vrouw is dood. Haar hart hield er mee op. Goedemiddag."
   En dat terwijl het pas ochtend was.
   De hele dag stond de koning voor het raam terwijl zijn waarnemer de cadeaus in ontvangst nam. Deze maakte wel keurig elk pakje open en zei elke keer wel netjes: "O dank u wel. U maakt de koning hier erg gelukkig mee.", want hij wilde de mensen niet kwetsen, maar echt menen deed hij het niet. En de koning stond maar voor het raam en elke halve minuut zuchtte hij diep.
   Het raam waar de koning voor stond was hetzelfde raam waar de heks elke zondag door naar binnen en door naar buiten vloog. Zo ook deze zondag. Doordat de koning diep in gedachten was verzonken, zag hij de heks niet aankomen. De heks suisde door het raam naar binnen en botste bovenop de koning, waarna de koning en de heks als een bolletje wol door het vertrek rolden en tegen de muur tot stilstand kwamen.
   De koning werd eerst rood, toen paars en toen heel diep-paars. Het werd hem allemaal even te veel. "Kunt u niet uitkijken waar u vliegt?!", schreeuwde de koning buiten zichzelf van kwaadheid, "Weg, weg! Ik wil u nooit meer zien in mijn paleis!"
   De heks, niet wetend dat de koningin niet meer leefde, werd doodsbleek. "Dit is het moment," dacht de heks. "Doe wat je wilt, verander de bedienden in zwarte katten, tover het bed vol giftige padden en vervloek het koninkrijk!"
   Op hetzelfde moment werd het paleis verduisterd door een gitzwarte wolk die er recht boven hing. Alle kaarsen gingen uit en de wind huilde door de gangen. De koning kromp ineen. De ogen van de heks vernauwden zich en begonnen te gloeien. Bedienden renden af en aan om alle kaarsen opnieuw aan te steken.
   Verstoord keek de heks op en met een handgebaar zaten er zo'n slordige twee dozijn zwarte katten om de koning en de heks heen. De kaarsen vielen op de grond en de gordijnen vatten vlam. De heks gniffelde met een opgeruimde blik in haar ogen.
   "Ik kan het nog steeds. De katten." verduidelijkte ze.
   "Maar nu," siste ze, terwijl haar ogen weer begonnen te gloeien, "u had het recht niet om zo tegen mij te praten. En dit zal uw straf zijn: u zult zich niets meer van uw verleden kunnen herinneren, behalve het feit dat u koning bent. U zult koud en harteloos worden tot de dag dat u sterft. U zult nooit meer om een sterveling geven en het zal u onverschillig zijn of ze gelukkig zijn of niet. U zult zich aan alle mensen ergeren en zich te goed voelen voor iedereen."
   De koning rilde en voelde zich als verlamd, want hij wist dat de heks het meende. De heks tilde hem op haar bezemsteel en verliet door het raam de brandende kamer. Aan de rand van de tuin zette de heks de koning neer. Daarna vloog ze weg, om nooit meer door iemand gezien te worden.
   Het paleis brandde tot de grond toe af.

Bij de smeulende resten van het paleis stond een man te kijken.
   "Zonde," dacht hij. "Het zal nog best een aardig optrekje geweest zijn."
   Hij haalde zijn schouders op en draaide zich om. Een koets kwam aanrijden. Voor de man hielden de paarden halt.
   "Sire, als u in zoudt willen stappen?" vroeg de koetsier beleefd.
   "Waar zou men een koets anders voor gebruiken." mompelde de man korzelig, terwijl hij instapte. "En rijd een beetje door; ik houd niet van lange ritten."
   Tussen de resten van het paleis zat een zwarte kat. In het licht van de ondergaande zon zag hij de koets over de heuvels aan de horizon verdwijnen.