De kracht van film

Als filmliefhebber heb ik altijd veel films gekeken.

Als student filmwetenschap groeide het aantal films dat ik keek. Kwamen er vooral klassiekers bij, en ik leerde analyserender kijken.

Als filmjournalist werden dat nog meer films, bezocht ik persvoorstellingen en filmfestivals door het hele land. Ik leerde verwoorden waarom iets goed was (of niet), op welke manier het van belang was (of niet), hoe het raakte aan andere films of kunst (of niet).

Nu, als programmeur van Internationaal Filmfestival Assen, zie ik meer films dan ooit, vooral in een bepaalde periode van het jaar (nu dus, wat doe ik hier, ik had vanavond minstens twee films kunnen screenen). En vaak krijg ik de vraag: kun je nog wel normaal een film kijken? Is het nog wel leuk om films te kijken als je zoveel ziet?

Wel: ja. Natuurlijk, als je meer van een medium weet (of een willekeurig ander onderwerp), vallen bepaalde zaken je eerder op. Maar film is gemaakt om je mee te nemen. Tenzij een film ergerlijk slecht is gemaakt of geschreven, ga ik in het gros van de films zonder veel moeite mee. Want film is meer dan alleen een aaneenschakeling van scènes. Film resoneert. Opent ogen. Kan wonderlijk genoeg exact verwoorden of tonen waar jij mee zit op bepaalde momenten in je leven. Kan oordelen blootleggen, je ze doen uitstellen, bijstellen. Kan onrechten aan de kaak stellen, begrip kweken. Je troosten. Inspireren.

Zoals die scène in RONJA DE ROVERSDOCHTER (de film die ik standaard op repeat keek als ik vroeger ziek op de bank lag), waarin Ronja en Birk uitkijken over de Zweedse bossen en schreeuwen zo hard ze kunnen – die scène, die me het gevoel gaf dat ik de hele wereld aankon;

Zoals die scènes in ALIEN, waarin Ripley de rollen omdraait en de alien uiteindelijk verslaat – die me het gevoel gaven dat ik ook zo kick-ass kon zijn;

Zoals die scène in ETERNAL SUNSHINE OF THE SPOTLESS MIND, waarin Joel en Clementine hun relatie opnieuw instappen en op voorhand elkaars tekortkomingen accepteren – die me het gevoel gaf dat oprechte liefde niet perfect hoeft te zijn, en daarin juist zoveel mooier;

Zoals die scène in de trein in SOME LIKE IT HOT, waarin het Jack Lemmon, verkleed als vrouw, maar niet lukt om alleen te zijn met Marilyn Monroe’s Sugar Kane en er steeds meer vrouwen bij komen – die scène, waardoor ik bijna van m’n stoel viel van het lachen;

Zoals de scène in THE THING, waarin de personages erachter proberen te komen wie van hen niet meer menselijk is – die me deed huiveren en af liet vragen of je mensen ooit écht kunt kennen;

Zoals de scènes in PAN’S LABYRINTH, waarin Ofelia afdaalt in een wereld met monsters en faunen – die me het gevoel gaven dat magie echt bestaat en fantasie essentieel is om te overleven;

Zoals de laatste scène van MIDSOMMAR, waarin – nee, wat er gebeurt verklap ik niet, maar laten we zeggen dat die film zoveel indruk maakte en zoveel opriep dat ik er nog lang over nadacht, over droomde en over napraatte, zo lang als ik een poos niet had gedaan;

Zoals de hartverscheurende beelden in THE CAVE, een documentaire over een ondergronds ziekenhuis in Syrië tijdens een jarenlange belegering – die me zo aangrepen dat ik stilletjes huilde op de fiets naar huis;

Zoals de scènes met de kleine Hushpuppy in BEASTS OF THE SOUTHERN WILD, over de overstromingen in New Orleans – die me een groot gevoel van urgentie gaven en tegelijkertijd lieten geloven in de veerkracht en de vechtkracht van de mens;

Zoals de scènes met Elisa en de Amfibieman in THE SHAPE OF WATER – die me het gevoel gaven dat liefde en begrip voor iedereen is weggelegd;

Zoals de avonturenscènes in WHERE THE WILD THINGS ARE – die me het gevoel gaven dat je nooit te oud bent om te ravotten in het bos;

Zoals het einde van de serie FLEABAG – dat me, ondanks rottige dingen en moeizame relaties, het overweldigende gevoel gaf dat het nog niet zo erg gesteld is met de wereld, dat alles uiteindelijk goed komt.

Als programmeur van IFA zie ik meer films dan ooit. In de laatste en de eerste twee weken van het jaar is het soms bikkelen, zit ik langer dan verantwoord naar een scherm te kijken, en breek ik m’n hoofd over de juiste samenstelling, de puzzel die uiteindelijk het programma van het filmfestival wordt. Film kijken voelt dan inderdaad als werk, maar het werk blijft leuk.

Al die scenes die ik noemde; zo lang film dit kan blijven oproepen, zet ik met liefde die ene periode van het jaar mijn tanden op elkaar. Ik weet immers waar ik het voor doe: een heel weekend lang meer dan drieduizend filmliefhebbers laten voelen dat ze de hele wereld aankunnen, kick-ass kunnen zijn; hen laten lachen, doen huiveren en stilletjes laten huilen; hen troosten, aan het denken zetten, hen laten verplaatsen in anderen en laten verbazen over de liefde, de mens, elkaar – en zichzelf.

Wat een kracht.


column @ Club Bavarois, 14 december 2019